WAARSCHUWING   WAARSCHUWING:  Het controlesysteem lage bandenspanning vormt geen vervanging voor de manuele controle van de bandenspanning. U moet de bandenspanning regelmatig controleren met een bandenspanningsmeter. Als de juiste bandenspanningen niet worden aangehouden, kan het risico op een klapband, verlies van controle, kantelen van het voertuig en verwondingen toenemen.

Image Shown Without Description  U moet de bandenspanning tweewekelijks controleren (inclusief het reservewiel indien van toepassing) wanneer de banden koud zijn.   Zie   Wielen en banden.  De bandenspanning staat ook op het label voor oppompen van de banden (aan de rand van het bestuurdersportier of de B-stijl).
Om de bestuurder te helpen is uw auto uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning. Er gaat een waarschuwingslamp branden wanneer één of meer banden veel te weinig zijn opgepompt. Als de waarschuwingslamp voor lage bandenspanning brandt, moet u de auto zo snel mogelijk stoppen wanneer dit veilig is, de banden controleren en ze oppompen tot de juiste bandenspanning.
Rijden op onvoldoende opgepompte banden kan:
  • ervoor zorgen dat ze oververhit raken.
  • leiden tot een klapband.
  • leiden tot een hoger brandstofverbruik.
  • de levensduur van de banden beperken.
  • het gedrag of de stopprestaties van de auto beïnvloeden.
Het systeem is geen vervanging voor correct onderhoud van de banden.
 U moet de juiste bandenspanning aanhouden, zelfs als de waarschuwingslamp niet brandt bij te weinig opgepompte banden.
Het controlesysteem lage bandenspanning heeft een indicatielamp voor systeemstoringen, die u waarschuwt wanneer het systeem niet goed werkt. De storingsindicatie en de waarschuwingslamp voor de bandenspanning zijn gecombineerd. Wanneer het systeem een storing detecteert, zal de waarschuwingslamp ongeveer een minuut knipperen en daarna blijven branden. Deze volgorde treedt op telkens wanneer u het contact aanzet en de storing nog steeds optreedt. Het systeem heeft een storing ontdekt die onderhoud vereist.
Als de storingsindicator brandt, is het systeem wellicht niet in staat een lage bandenspanning te detecteren of te melden. Een storing kan optreden om tal van verschillende redenen, inclusief de plaatsing van een vervangende band of wiel, waardoor het systeem niet meer correct werkt. Controleer steeds de storingswaarschuwing van het controlesysteem lage bandenspanning nadat u één of meer banden of wielen van uw auto hebt vervangen. Controleer dat het systeem correct blijft werken wanneer banden of wielen zijn vervangen. Zie Wanneer het tijdelijke reservewiel is geplaatst in dit hoofdstuk.
Invloed van temperatuur op bandenspanning
Onder normale rijomstandigheden kan de bandenspanning stijgen tot ,3 bar uit koude start.
Als de auto 's nachts stationair blijft en de temperatuur aanzienlijk lager is dan de temperatuur overdag, kan de bandenspanning dalen tot ,2 bar bij een daling van 17°C of meer in de omgevingstemperatuur. Het systeem detecteert deze lagere drukwaarde als aanzienlijk lager dan de juiste bandenspanning en de waarschuwingslamp gaat branden.
Banden oppompen
Wanneer u de banden oppompt, is het mogelijk dat het systeem niet onmiddellijk reageert op de lucht die in de banden wordt gepompt.
Pomp banden alleen op wanneer ze koud zijn.
Als de waarschuwingslamp brandt:
  • Controleer dat geen enkele band lek is.
  • Als één of meer banden lek zijn, repareert u ze indien nodig.
  • Controleer de bandenspanning en pomp alle banden op tot de juiste bandenspanning.   Zie   Bandenspanning - Combi/Van
  • Voer de procedure uit om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten.
Banden vervangen
Image Shown Without Description
U moet banden steeds laten onderhouden en repareren door een erkende dealer.
N.B.:   Elk wiel met band is uitgerust met een bandenspanningssensor, die zich in de holte van het wiel met de band bevindt. De druksensor is bevestigd aan de klepsteel. De band bedekt de druksensor en is pas zichtbaar wanneer de band wordt verwijderd. Wees voorzichtig dat u de sensor niet beschadigt wanneer u een band vervangt.
Wielen vervangen
Wanneer de wielen van uw auto worden vervangen, moet het controlesysteem lage bandenspanning de bandenspanningssensoren opnieuw inleren. Ga hiervoor als volgt te werk:
  1. Zorg dat alle banden zijn opgepompt tot de juiste bandenspanning. Als dat niet zo is, moet u de banden oppompen tot de juiste bandenspanning.   Zie   Bandenspanning - Combi/Van
  1. Parkeer uw auto minstens 20 minuten.
  1. Voer de procedure uit om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten. Raadpleeg Procedure om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten verder in dit hoofdstuk.
  1. Het controlesysteem lage bandenspanning zal de bandenspanningssensoren automatisch opnieuw inleren wanneer u de volgende keer ongeveer 15 minuten sneller dan 40 km/u (25 mph) rijdt.
Werking van het controlesysteem lage bandenspanning
Het systeem meet de druk in de vier banden en stuurt de waarden van de bandenspanning naar uw auto.
Het systeem detecteert deze lagere drukwaarde als aanzienlijk lager dan de juiste bandenspanning en de waarschuwingslamp gaat branden. U moet de banden oppompen tot de juiste bandenspanning.
Wanneer het tijdelijke reservewiel is geplaatst
Als u een wiel met band moet vervangen door het tijdelijke reservewiel, blijft het systeem een defect weergeven. Dit is ter herinnering dat het beschadigde wiel met band moet worden gerepareerd en terug op uw auto geplaatst. Om de correcte werking van dit systeem te herstellen, moet u het gerepareerde wiel met band terug op uw auto plaatsen.
Als u denkt dat het systeem niet goed werkt
De hoofdfunctie van het systeem is u te waarschuwen bij een lage bandenspanning. Het kan u ook waarschuwen als het systeem niet langer goed werkt. Zie de volgende tabel voor informatie over het systeem:

Waarschuwingslamp   Omschrijving   Handeling  
Waarschuwingslamp blijft branden   Band(en) onvoldoende opgepompt  
  1. Zorg dat de banden worden opgepompt tot de juiste bandenspanning.   Zie   Wielen en banden.  De bandenspanning staat ook op het label voor oppompen van de banden (aan de rand van het bestuurdersportier of de B-stijl).
  2. Nadat de banden zijn opgepompt tot de juiste spanning, moet de procedure om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten worden uitgevoerd. Raadpleeg Procedure om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten in dit hoofdstuk.
  Reservewiel in gebruik   Repareer het beschadigde wiel met band en plaats het gerepareerde wiel met band terug op uw auto om de correcte werking van dit systeem te herstellen.  
Storing van het controlesysteem lage bandenspanning   Als de banden goed zijn opgepompt en het reservewiel niet wordt gebruikt maar de lamp blijft branden, heeft het systeem een storing gedetecteerd die moet worden gerepareerd.  
Waarschuwingslamp blijft eerst branden, gevolgd door knipperende waarschuwingslamp   Reservewiel in gebruik   Repareer het beschadigde wiel met band en plaats het gerepareerde wiel met band terug op uw auto om de correcte werking van dit systeem te herstellen.  
Storing van het controlesysteem lage bandenspanning   Als de banden goed zijn opgepompt en het reservewiel niet wordt gebruikt maar de lamp blijft branden, heeft het systeem een storing gedetecteerd die moet worden gerepareerd.  

Procedure om het controlesysteem lage bandenspanning te resetten
Samenvatting
U moet de procedure om het systeem te resetten uitvoeren telkens wanneer een band is vervangen of de bandenspanning is aangepast.
Om het laadvermogen van uw auto te behouden, is er een verschillende bandenspanning nodig voor de voorwielen dan voor de achterwielen.
De waarschuwingslamp van het systeem brandt bij verschillende bandenspanning voor de voor- en achterwielen.
Als de banden verwisseld zijn, moet het controlesysteem lage bandenspanning opnieuw worden ingesteld om de nieuwe bandenspanningen opnieuw in te leren. Dat systeem weet niet waar de verschillende sensoren zich bevinden en gaat ervan uit dat u de bandenspanning correct hebt ingesteld.
Procedure uitvoeren om het systeem te resetten
Zet het contact aan. Selecteer het volgende met de bedieningstoetsen van het informatiedisplay:

Mededeling   Omschrijving en actie  
Instellingen
Druk op de toets OK.  
Bestuurd. ass.
Druk op de toets OK.  
Band.sp. contr.
Houd de knop OK ingedrukt tot er een bevestiging verschijnt. Of als uw auto een resetknop voor het controlesysteem lage bandenspanning heeft, houdt u de knop ingedrukt tot de bevestiging verschijnt.